Eigenhuis & Interieur Benoît Hermans

In collages van verf, prullaria en gevonden beeld verknoopt Benoît Hermans werkelijkheid en fantasie. ‘Welke sporen laat je achter als je ergens het mes in zet?’

Het vergt concentratie om in het atelier van Benoît Hermans (1963, Wahlwiller) de draad van het gesprek vast te houden. Overal, in elke hoek, op elke plank, loert de afleiding. Alle gevonden voorwerpen, rariteiten, ansichtkaarten, feestartikelen en opgezette beesten die er rondzwerven, bedelen om aandacht. Allemaal losse eindjes die Hermans met voorbedachten rade verzamelt. De kans bestaat dat ze ooit op hun plek vallen als het ontbrekende puzzelstukje in een nieuw werk. Maar Hermans forceert niets. Hij verzamelt elementen die zomaar ineens van pas komen om echt en onecht te verbinden. De objets trouvés, bestaand beeldmateriaal en reproducties van bekende kunstwerken, gebruikt hij ‘als verf op het doek’. Die fragmentarische, collage-achtige manier van werken herinnert aan de knippen-en-plakken-aanpak van de dadaïsten. Hermans: ‘Ik probeer dwingende combinaties te vinden die een nieuwe ervaring van de werkelijkheid mogelijk maken die tot een intensivering of ontregeling leiden. ’Ook invloed van de surrealisten is onmiskenbaar. Al is het ingewikkeld Magritte en Dalí nog op hun werkelijke waarde te beoordelen, sinds ze in de tweede helft van de vorige eeuw zo veel succes kregen als posterkunstenaars. Hermans: ‘Schilderkunstig heb ik meer waardering voor de oorspronkelijkheid van De Chirico en Hannah Höch.’ Onvoorspelbaarheid. Al tijdens de lessen modeltekenen aan de kunstacademie merkte Hermans dat hij snel verveeld raakte wanneer hij ‘naar de natuur’ werkte. ‘Klee en Cézanne, dát waren de referentiepunten. Alsof de jaren zestig stilletjes aan ons voorbij waren getrokken. Om het spannender te maken plakte ik er dan maar een vreemde kop bovenop.’ Het aanvankelijke plan om zich te bekwamen als grafisch ontwerper liet hij schieten. ‘Ik merk dat die grafische blik me in mijn huidige, montage-achtige manier van werken goed van pas komt. Vergis je niet in het belang van een effectieve vlakverdeling, goede kleurcombinaties en een sterk perspectief. Zo kwam ik erachter dat je van renaissanceschilders kunt leren hoe je compositorisch een ruimte opbouwt. Tegelijkertijd zijn het tekenaars, ze denken vanuit het detail. Een vlak suggereren ze niet gemakzuchtig met een brede penseelstreek. Ze zetten die heel secuur op, per kleurgradatie en lijntje voor lijntje. In oude kunst valt veel meer spanning en onvoorspelbaarheid te ontdekken dan mensen vaak denken. Bij middeleeuwse juist geïnteresseerd in de sporen die ontstaan wanneer je ergens het mes in zet. en renaissancekunst voel je de wrijving tussen de opdrachtgever – de kerk – en de kunstenaar die zijn eigen agenda probeert te volgen. Ik vind het werk vaak intrigerender dan dat van romantische of moderne kunstenaars met hun autonome vooringenomenheid. Neem de Kruisafname van de maniërist Jacopo da Pontormo (1494-1557). Een geaccepteerd onderwerp werkt hij bijna absurd uit, met een extreme behandeling van licht en kleur. Het religieuze thema lijkt bijzaak, het technische experiment staat centraal.’ Naar die ‘schokeffecten’ die het vaste kijkpatroon verwarren en aanzetten om na te denken over de verhouding tussen werkelijkheid en illusie is Hermans ook op zoek. Zijn methode staat bijna haaks op een digitale manier van werken als Photoshop, die er meestal op uit is de bestaande werkelijkheid te perfectioneren. Wat levert een breuklijn voor een nieuw beeld op? Knippen en nieten, slopen en overdoen: elk element dat ik uitprobeer, biedt me meer inzicht in wat nodig is. Je wilt de sensatie voelen dat verschillende beeldelementen iets opleveren wat daarvoor niet bestond. Het eindstation moet nieuwe verbanden en nieuwe associaties creëren.’ Hermans maakt zijn beelden als een schilder. Fotografie, hout en andere materialen zijn middelen. Ze zijn als verf in de compositie. Een schilderij maken met alleen maar verf doet hij nog maar zelden. ‘Dan mis ik iets en ga ik toch weer op zoek naar contrasten in materiaal en montage. Het verwonden van bestaande beelden hoort nu eenmaal bij mijn scheppingsproces.’ Hermans deinst er niet voor terug om de ernstige wereld van kunstencyclopedie en religieuze kunst te laten botsen op de lichtzinnigheid van feestartikelenwinkel, uitdragerij en rommelmarkt. ‘Maar dan liever niet op de intellectualistische manier van de meeste popartkunstenaars die vooral effect nastreven en zelf meewarig afstand houden. Ik ga liever naïef en onbevangen op in het materiaal.’ Hoe divers en ongelijksoortig dat materiaal is, blijkt wanneer Hermans voor catalogi of overzichten wordt gevraagd om zijn werk te specificeren. ‘Olieverf op doek met opgezet beest, dat gaat nog. Maar in de meeste gevallen is het onbegonnen werk.’ Kopstukken Sint Franciscus, Hegel, Husserl, Marx, Honecker, Schopenhauer, Nietzsche, Liszt: de namen van beroemde persoonlijkheden die in zijn werk opduiken, zijn zelden de namen van voetballers of tv-persoonlijkheden. ‘Het rijtje dat je opsomt, heeft een goede kop. Maar het gaat me natuurlijk ook om wat er in die hoofden omging. Het zijn kopstukken uit de religie, de muziek, de politiek, de filosofie. En soms iconen van goed of kwaad.’ In een hoek van het atelier hangt een portret van Albert Speer, geniaal architect, rijksbouwmeester en vertrouweling van Hitler. ‘De dubbelheid waar ik in mijn beelden mee speel, zitten in die man zelf: de goede Duitser die slachtoffer van het regime wordt. Die paradox maakt het de moeite waard.’ In een bijdrage aan de monografie Objets troublants, objets troublés uit 2006 beschrijft Rudi Fuchs de gelaagdheid van Hermans’ oeuvre. ‘Het zit zo vol met kleine flonkeringen dat het sprookjesachtige effect letterlijk onbeschrijflijk is.’ Fuchs hoopt anderen aan te sporen ‘de fabuleuze werken met langzame ogen te lezen en te proeven. Want als een werk dan klaar is, is er heel veel op te zien; en de kijker moet ervoor zorgen dat hij dat ook allemaal te zien krijgt’. De verwijzingen en kunsthistorische bronnen in dat werk maken het de kijker niet altijd makkelijk. Hermans: ‘Het zijn natuurlijk geen cryptogrammen. Maar wie meer weet, wordt beloond. Die ziet waarschijnlijk ook meer. Het is een groot cliché over kunst, maar het klopt wel: je probeert ergens te komen waar je met woorden niet komt.’ In het atelier ligt een oude föhn zijn beurt af te wachten. Hermans: ‘Het is goed mogelijk dat ik uiteindelijk alleen het ventilatorachtige deel gebruik. Of helemaal niets. Dat maakt het juist zo interessant. Nu is het alleen nog vorm. Maar straks kan het van alles en nog wat gaan betekenen.’

www.benoithermans.nl